nuttigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nut·ti·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
nuttigen
nuttigde
genuttigd
zwak -d volledig

Werkwoord

nuttigen

  1. (overgankelijk) voedsel gebruiken
    Hij nuttigde een eenvoudige maaltijd.
Vertalingen