noodzaak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nood·zaak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord noodzaak noodzaken
verkleinwoord noodzaakje noodzaakjes

Zelfstandig naamwoord

noodzaak v/m

  1. iets moeten hebben voor vaak praktische of medische redenen
    Insuline krijgen is een noodzaak voor diabetespatiënten.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
noodzaken

noodzaak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noodzaken
    Ik noodzaak.
  2. gebiedende wijs van noodzaken
    Noodzaak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noodzaken
    Noodzaak je?