noodzaak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nood·zaak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord noodzaak noodzaken
verkleinwoord noodzaakje noodzaakjes

Zelfstandig naamwoord

noodzaak v/m

  1. iets moeten hebben voor vaak praktische of medische redenen
    Insuline krijgen is een noodzaak voor diabetespatiënten.
Vertalingen

Meer informatie