nood

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Stöwer Titanic.jpg


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nood
enkelvoud meervoud
naamwoord nood noden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nood m

  1. een levensbedreigende situatie waaruit men zichzelf niet meer kan redden en onmiddellijke hulp vereist is
    De passagiers van het in nood verkerende schip konden allen gered worden.
  2. een gebrek, een tekort aan iets
    In het journaal van de VRT werd gezegd dat er nood is aan parkeerplaatsen.
  3. een tijdelijk ongemak
    De stroomvoorziening is uitgevallen, geen nood, we behelpen ons wel met olielampen.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
noden

nood

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noden
    Ik nood.
  2. gebiedende wijs van noden
    Nood!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van noden
    Nood je?