nood
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- nood
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | nood | noden |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
nood m
- een levensbedreigende situatie waaruit men zichzelf niet meer kan redden en onmiddellijke hulp vereist is
- De passagiers van het in nood verkerende schip konden allen gered worden.
- een gebrek, een tekort aan iets
- In het journaal van de VRT werd gezegd dat er nood is aan parkeerplaatsen.
- een tijdelijk ongemak
- De stroomvoorziening is uitgevallen, geen nood, we behelpen ons wel met olielampen.
Synoniemen
- [1] levensgevaar, onheil
- [2] behoefte, gebrek
- [3] storing
Afgeleide begrippen
- [1]
|
- [2] nodig, noodlijdend
- [3] noodvulling
Verwante begrippen
- [1] calamiteit, natuurramp, onheil, overmacht, ramp, rampspoed
- [2] schaarste
- [3] panne, pech, storing
Uitdrukkingen en gezegden
In geval van nood dient hoe dan ook hulp geboden te worden, desnoods tegen de geldende regels in
De aandacht vestigen op een onhoudbare toestand/benarde situatie
In een noodgedwongen situatie, toch iets nuttigs doen
Geen nood zo hoog, of er is wel een oplossing
Laat de moed niet zakken, nog is er kans op hulp
Vrienden genoeg als het je voor de wind gaat, maar wie helpt je als het wat minder gaat?
Nodig naar het toilet moeten
|
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| noden |
nood