nestelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nes·te·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
nestelen
nestelde
genesteld
zwak -d volledig

Werkwoord

nestelen

  1. (inergatief) het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
    Op die rots nestelen honderden zeekoeten.
  2. (wederkerend) zich ~: plaatsnemen en het zich behaaglijk maken
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

nestelen

  1. nestelen
Overerving en ontlening
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl