losmaken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- los·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| losmaken |
maakte los |
losgemaakt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
losmaken
- (overgankelijk) ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
- We moeten eerst die knoop losmaken.
- (overgankelijk) minder vast laten zijn
- Jullie moeten je echt wat meer losmaken van elkaar.
- (overgankelijk) bemachtigen
- Ik heb dit mooie huis voor een koopje bij hem kunnen losmaken.
- (overgankelijk) interesses of emoties oproepen
- Dit gaat een hoop bij mij losmaken...
- (overgankelijk) zich ontdoen van
- Wie maakt me los?