kostuum
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kos·tuum
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kostuum | kostuums |
| verkleinwoord | kostuumpje | kostuumpjes |
Zelfstandig naamwoord
kostuum o
- de kleding van iemand die bij een bepaalde activiteit, een ambt of een toneelrol hoort
- Wat een mooi kostuum heb je aan!
- een stel kleren, een jas, een broek en een vest voor mannen
- We moesten daar in kostuum heen.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.