kostuum

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kos·tuum
enkelvoud meervoud
naamwoord kostuum kostuums
verkleinwoord kostuumpje kostuumpjes

Zelfstandig naamwoord

kostuum o

  1. de kleding van iemand die bij een bepaalde activiteit, een ambt of een toneelrol hoort
    Wat een mooi kostuum heb je aan!
  2. een stel kleren, een jas, een broek en een vest voor mannen
    We moesten daar in kostuum heen.

Meer informatie