koel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- koel
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | koel | koeler | koelst |
| verbogen | koele | koelere | koelste |
Bijvoeglijk naamwoord
koel
- met een naar verhouding lagere temperatuur dan de warme of hete omgeving
- Zet het in de kelder, dan blijft het wel koel.
Vertalingen
1. met een naar verhouding lagere temperatuur dan de warme of hete omgeving
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| koelen |
koel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koelen
- Ik koel.
- gebiedende wijs van koelen
- Koel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koelen
- Koel je?
Afrikaans
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| koel | koeler | koelste |
Bijvoeglijk naamwoord
koel
- koel
- «Die klimaatsveranderinge van die 15de en 16de eeu met hul koue winters en koel somers het tot voedseltekorte gelei.»
- De klimaatsveranderingen van de 15e en 16e eeuw met hun koude winters en koele zomers hebben tot voedseltekorten geleid.
- «Die klimaatsveranderinge van die 15de en 16de eeu met hul koue winters en koel somers het tot voedseltekorte gelei.»