knoop

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knoop
enkelvoud meervoud
naamwoord knoop knopen
verkleinwoord knoopje knoopjes

Zelfstandig naamwoord

knoop m

  1. (textielindustrie), (scheepvaart) een vastgetrokken lus in garen, draad, koord of touw om daarin een verdikking te maken, om einden ervan aan elkaar te bevestigen of ter bevestiging aan een ander voorwerp of weefsel
    Aan beide einden van het springtouw zit een knoop zodat het niet zo gauw uit de hand zal schieten.
  2. (scheepvaart), (eenheid) een snelheidsmaat die in de zeevaart gebruikt wordt
    Een knoop is een zeemijl per uur, ongeveer 1,8 kilometer per uur.
  3. (textielindustrie), (kleding) een meestal schijfvormig voorwerp met draden vastgezet op een kledingstuk ter afsluiting daarvan
    De knoop was van zijn blouse gesprongen.
  4. vloek
    Hij legde er een knoop op.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • knoop in je zakdoek
als geheugensteuntje
  • de gordiaanse knoop doorhakken
een probleem oplossen door een onverwachte maatregel
  • de eindjes aan elkaar moeten knopen
arm zijn
  • de knopen aan zijn jas tellen
hij weet niet te kiezen, een aftelversje moet de beslissing brengen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
knopen

knoop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knopen
    Ik knoop.
  2. gebiedende wijs van knopen
    Knoop!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knopen
    Knoop je?