klier
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- klier
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | klier | klieren |
| verkleinwoord | kliertje | kliertjes |
Zelfstandig naamwoord
klier m
- (informeel) een onuitstaanbaar mens.
- Wat ben jij toch een klier, zeg!
- (biologie) een orgaan dat een stof afscheidt.
- Speeksel wordt gemaakt in klieren in de mond.
- (biologie) een cel die een product afscheidt dat door een plant niet verder verwerkt wordt.
Werkwoord
| vervoeging van |
| klieren |
klier