kiem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kiem
enkelvoud meervoud
naamwoord kiem kiemen
verkleinwoord kiempje kiempjes

Zelfstandig naamwoord

kiem v/m

  1. beginsel waaruit iets groeit
    Het water was besmet met de kiemen van een dodelijke ziekte.
Uitdrukkingen en gezegden
  • iets in de kiem smoren
iets elimineren voordat het een probleem wordt
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen