kiem
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kiem
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kiem | kiemen |
| verkleinwoord | kiempje | kiempjes |
Zelfstandig naamwoord
- beginsel waaruit iets groeit
- Het water was besmet met de kiemen van een dodelijke ziekte.
Uitdrukkingen en gezegden
- iets in de kiem smoren
iets elimineren voordat het een probleem wordt