kenteken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ken·te·ken
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kenteken | kentekens, kentekenen |
| verkleinwoord | kentekentje | kentekentjes |
Zelfstandig naamwoord
kenteken o
- een teken waaraan iets of iemand herkenbaar is.
- Bijzondere kentekens werden door de medewerker genoteerd.
- een nummer van een gemotoriseerd voertuig.
- Het kenteken van de auto was niet goed leesbaar.
Vertalingen
1. een teken waaraan iets of iemand herkenbaar is