storten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stor·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
storten
stortte
gestort
zwak -t volledig

Werkwoord

storten

  1. (overgankelijk) van enige hoogte ergens in laten vallen
    Er werd beton gestort.
  2. (overgankelijk) geld in een rekening inbrengen
    Hij had gelukkig genoeg gestort om te voorkomen dat hij rood kwam te staan
  3. (wederkerend) zich ~ op zich volledig aan een bepaalde bezigheid gaan wijden
    Hij had zich voldoende op zijn wiskunde gestort en slaagde met een goed cijfer voor zijn tentamen.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

storten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord stort