storten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- stor·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| storten |
stortte |
gestort |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
storten
- (overgankelijk) van enige hoogte ergens in laten vallen
- Er werd beton gestort.
- (overgankelijk) geld in een rekening inbrengen
- Hij had gelukkig genoeg gestort om te voorkomen dat hij rood kwam te staan
- (wederkerend) zich ~ op zich volledig aan een bepaalde bezigheid gaan wijden
- Hij had zich voldoende op zijn wiskunde gestort en slaagde met een goed cijfer voor zijn tentamen.
Vertalingen
1.
Zelfstandig naamwoord
storten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord stort