imker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Imker

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·ker
enkelvoud meervoud
naamwoord imker imkers
verkleinwoord imkertje imkertjes

Zelfstandig naamwoord

imker m

  1. (beroep) iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
    De imker werd gestoken door één van zijn bijen.
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
imkeren

imker

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van imkeren
    Ik imker.
  2. gebiedende wijs van imkeren
    Imker!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van imkeren
    Imker je?