homo
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ho·mo
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | homo | homo's |
| verkleinwoord | homootje | homootjes |
Zelfstandig naamwoord
homo m
- mens [1]
- homoseksueel geaard persoon [2]
- De homo kon gelukkig open over zijn geaardheid praten.
Synoniemen
- [2] homoseksueel
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.