homoseksueel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ho·mo·sek·su·eel
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | homoseksueel | homoseksuelen |
| verkleinwoord | homoseksueeltje | homoseksueeltjes |
homoseksueel m
- een man met seksuele voorkeur voor mannen of een vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen.
- Is die man een homoseksueel of weet jij dat ook niet?
Vertalingen
1. een man met seksuele voorkeur voor mannen of een vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen.
|
Bijvoeglijk naamwoord
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | homoseksueel | ||
| verbogen | homoseksuele |
homoseksueel
- betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten.
- Weet jij of die man homoseksueel is?
Vertalingen
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten.