haag
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- haag
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | haag | hagen |
| verkleinwoord | haagje | haagjes |
Zelfstandig naamwoord
- een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
- op een rij naast elkaar geplaatste personen of zaken