gap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gap

Werkwoord

vervoeging van
gappen

gap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gappen
    Ik gap.
  2. gebiedende wijs van gappen
    Gap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gappen
    Gap je?


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
gap gaps

Zelfstandig naamwoord

gap

  1. gat, opening
  2. afstand