gappen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gap·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gappen
gapte
gegapt
zwak -t volledig

Werkwoord

gappen

  1. (overgankelijk) (informeel) iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
    Het bleek dat zijn mobieltje gegapt was door Ronald.
Synoniemen