gaap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gaap
enkelvoud meervoud
naamwoord gaap gapen
verkleinwoord gaapje gaapjes

Zelfstandig naamwoord

gaap m

  1. het opensperren van de kaken wanneer men slaap heeft
  2. het jong van een ooi en een bok
    in de verte zag men een grote kudde gapen en scheiten
Verwante begrippen

Werkwoord

vervoeging van
gapen

gaap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gapen
    Ik gaap.
  2. gebiedende wijs van gapen
    Gaap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gapen
    Gaap je?


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
gaap
gegaap
volledig

Werkwoord

gaap

  1. gapen
    «Leeus het gebrul en gegaap en gelyk of hulle baie honger was vir kleindogtertjievleis.»
    Leeuwen brulden en gaapten en zagen eruit alsof ze erge trek hadden in kleinemeisjesvlees.