fisk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Deens

Woordafbreking
  • fisk
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   fisk     fisken     fisk     fiskene  
genitief   fisks     fiskens     fisks     fiskenes  

Zelfstandig naamwoord

fisk, g

  1. (dierkunde), (vissen) vis
    «Som frisk som en fisk
    Zo fris als een vis.
    «Da ett skole til fisk svømmende.»
    Daar zwemmen een school vissen.
    «Jeg har fanget en fisk
    Ik heb een vis gevangen


Faeröers

Woordafbreking
  • fisk

Zelfstandig naamwoord

fisk, mv

  1. onbepaalde vorm accusatief meervoud van fiskur


IJslands

Woordafbreking
  • fisk

Zelfstandig naamwoord

fisk, m

  1. onbepaalde vorm accusatief enkelvoud van fiskur
    «Ég borða fisk í morgunmat.»
    Ik eet vis als ontbijt.


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • fisk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord fiskr, dat uit het Frans komt met oorsprong van het Latijnse naamwoord pisces
Naar frequentie 1450

Werkwoord

fisk

  1. gebiedende wijs van fiske
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   fisk     fisken     fisker     fiskene  
genitief   fisks     fiskens     fiskers     fiskenes  

Zelfstandig naamwoord

fisk m

  1. (dierkunde), (vissen) vis
    «Rens fisken for skinn og ben.»
    Zuiver de vis van huid en graten.


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • fisk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord fiskr, dat uit het Frans komt met oorsprong van het Latijnse naamwoord pisces

Werkwoord

fisk

  1. gebiedende wijs van fiske
Schrijfwijzen
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   fisk     fisken     fisker     fiskene  

Zelfstandig naamwoord

fisk m

  1. (dierkunde), (vissen) vis


Zweeds

Woordafbreking
  • fisk
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   fisk     fisken     fiskar     fiskarna  
genitief   fisks     fiskens     fiskars     fiskarnas  

Zelfstandig naamwoord

fisk, g

  1. (dierkunde), (vissen) vis