fisk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Deens

Zelfstandig naamwoord

fisk g

  1. (dierkunde), (vissen) vis
Verbuiging


  1. «Som frisk som en fisk
    Zo fris als een vis.
    «Da ett skole til fisk svømmende.»
    Daar zwemmen een school vissen.
    «Jeg har fanget en fisk
    Ik heb een vis gevangen


Faeröers

Zelfstandig naamwoord

fisk m

  1. accusatief onbepaald enkelvoud van fiskur


IJslands

Zelfstandig naamwoord

fisk m

  1. accusatief onbepaald enkelvoud van fiskur
  1. «Ég borða fisk í morgunmat.»
    Ik eet vis als ontbijt.


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • fisk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord fiskr, dat uit het Frans komt met oorsprong van het Latijnse naamwoord pisces.

Zelfstandig naamwoord

fisk m

  1. (dierkunde), (vissen) vis
    «Rens fisken for skinn og ben.»
    Zuiver de vis van huid en graten.
Verbuiging



Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • fisk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord fiskr, dat uit het Frans komt met oorsprong van het Latijnse naamwoord pisces.

Zelfstandig naamwoord

fisk m

  1. (dierkunde), (vissen) vis
Verbuiging



Zweeds

Zelfstandig naamwoord

fisk g

  1. (dierkunde), (vissen) vis
Verbuiging
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen