druppel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- drup·pel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | druppel | druppels |
| verkleinwoord | druppeltje | druppeltjes |
Zelfstandig naamwoord
druppel m
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| druppelen |
druppel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van druppelen
- Ik druppel.
- gebiedende wijs van druppelen
- Druppel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van druppelen
- Druppel je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.