druppelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- drup·pe·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| druppelen |
druppelde |
gedruppeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
druppelen
- (ergatief) in druppels neervallen
- Er is hars uit dat stuk hout gedruppeld.
- (inergatief) druppels laten vallen
- Na die oogoperatie heb ik nog enige tijd gedruppeld, maar het was snel weer geheeld.
- (overgankelijk) in druppels laten neervallen
- Anna druppelde regelmatig vocht op de lamsbout.