diploma

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·plo·ma
enkelvoud meervoud
naamwoord diploma diploma's
verkleinwoord diplomaatje diplomaatjes

Zelfstandig naamwoord

diploma o

  1. (onderwijs) een bewijs van bevoegdheid
    Vijftig procent van de kinderen heeft een diploma gehaald bij de zwemclub.
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
diploma diplomas, diplomata

Zelfstandig naamwoord

diploma

  1. diploma