diploma
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- di·plo·ma
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | diploma | diploma's |
| verkleinwoord | diplomaatje | diplomaatjes |
Zelfstandig naamwoord
diploma o
- een bewijs van bevoegdheid
- Vijftig procent van de kinderen heeft een diploma gehaald bij de zwemclub.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een bewijs van bevoegdheid
Engels
Uitspraak
- Geluid: diploma (VK) (hulp, bestand)
- IPA: /dɪˈpləʊmə/
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| diploma | diplomas, diplomata |
Zelfstandig naamwoord
diploma