conciërge
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- con·ci·er·ge
Woordherkomst en -opbouw
- van het Franse 'concierge' (met het voorvoegsel con-)
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | conciërge | conciërges |
| verkleinwoord | conciërgetje | conciërgetjes |
Zelfstandig naamwoord
- (beroep) een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.