portier
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- por·tier
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | portier | portiers |
| verkleinwoord | portiertje | portiertjes |
Zelfstandig naamwoord
portier m
- Persoon die bij de deur staat om te bepalen wie wel en wie niet binnen mag
- De portier weigerde de dronken man toegang te verlenen.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | portier | portieren |
| verkleinwoord | portiertje | portiertjes |
Zelfstandig naamwoord
portier o
- autodeur
- Het plotseling geopende portier veroorzaakte een ongeluk waarbij een fietser ten val kwam.