coachen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • coa·chen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Engelse coach.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
coachen
coachte
gecoacht
zwak -t volledig

Werkwoord

coachen

  1. (overgankelijk) (sport) instructies en leiding geven aan een sportteam of sporter
    Deze finale coacht hij zijn laatste wedstrijd.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen