coachen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- coa·chen
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van het Engelse coach.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| coachen |
coachte |
gecoacht |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
coachen
- (overgankelijk) (sport) instructies en leiding geven aan een sportteam of sporter
- Deze finale coacht hij zijn laatste wedstrijd.