bezig
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·zig
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | bezig |
| verbogen | bezige |
Bijvoeglijk naamwoord
bezig
- aan het werken
- Bezig met de afwas.
- Ik ben bezig, ik heb het druk, ik ben bezet.
- altijd aan het werken, vlijtig
- Hij is een bezig persoon.
Uitdrukkingen en gezegden
- [1] bezig zijn
- [1] weten waar men mee bezig is
- [2] de bezige bij
Vertalingen
bezig zijn
|
weten waar men mee bezig is
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bezigen |
bezig