bezig
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·zig
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | bezig | ||
| verbogen | bezige |
Bijvoeglijk naamwoord
bezig
- aan het werken.
- Bezig met de afwas.
- Ik ben bezig, ik heb het druk, ik ben bezet.
- altijd aan het werken, vlijtig.
- Een bezige bij.