bezig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bezig beziger bezigst
verbogen bezige bezigere bezigste

Bijvoeglijk naamwoord

bezig

  1. aan het werken
    Bezig met de afwas.
    Ik ben bezig, ik heb het druk, ik ben bezet.
  2. altijd aan het werken, vlijtig
    Hij is een bezig persoon.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1] bezig zijn
  • [1] weten waar men mee bezig is
  • [2] de bezige bij
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bezigen

bezig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezigen
    Ik bezig.
  2. gebiedende wijs van bezigen
    Bezig!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bezigen
    Bezig je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl