bezig

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bezig
verbogen bezige

Bijvoeglijk naamwoord

bezig

  1. aan het werken.
    Bezig met de afwas.
    Ik ben bezig, ik heb het druk, ik ben bezet.
  2. altijd aan het werken, vlijtig.
    Een bezige bij.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen