bezigheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bezigheid bezigheden
verkleinwoord bezigheidje bezigheidjes

Zelfstandig naamwoord

bezigheid v

  1. iets waarmee men bezig is
    De dokter stopte met zijn bezigheden toen hij plotseling het alarm hoorde afgaan.
Synoniemen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen