bezigheid
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·zig·heid
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bezigheid | bezigheden |
| verkleinwoord | bezigheidje | bezigheidjes |
Zelfstandig naamwoord
bezigheid v
- iets waarmee men bezig is
- De dokter stopte met zijn bezigheden toen hij plotseling het alarm hoorde afgaan.