betamen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| betamen | betamelijk |
Woordafbreking
- be·ta·men
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| betamen |
betaamde |
betaamd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
betamen
- (onpersoonlijk) wat volgens de zeden en normen zo zou moeten zijn
- Zoals het een Belgische prinses betaamde, werd zij streng katholiek opgevoed.