betamen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
betamen betamelijk
Woordafbreking
  • be·ta·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
betamen
betaamde
betaamd
zwak -d volledig

Werkwoord

betamen

  1. (onpersoonlijk) wat volgens de zeden en normen zo zou moeten zijn
    Zoals het een Belgische prinses betaamde, werd zij streng katholiek opgevoed.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen