babbelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bab·be·len
Woordherkomst en -opbouw
- Een frequentatieve vorm van het verouderde babben (kinderlijk praten)
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| babbelen |
babbelde |
gebabbeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
babbelen
- (inergatief) gezellig praten over zaken van weinig belang
- Vrolijk babbelend liepen zij te winkelen.
Synoniemen
Vertalingen
1. gezellig praten over zaken van weinig belang