afwijking
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- af·wij·king
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van afwijken met het achtervoegsel -ing.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afwijking | afwijkingen |
| verkleinwoord | afwijkinkje | afwijkinkjes |
Zelfstandig naamwoord
afwijking v
- (techniek) het niet goed afgesteld staan en naar een bepaalde kant neigen
- Het stuur had een afwijking naar links.
- (medisch) lichamelijk gebrek of het niet volledig bij het verstand zijn
- Een aangeboren afwijking aan de aortaklep.
- Het buurmeisje had een afwijking, maar was ook erg aardig.