admiratio

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Latijn

Woordafbreking
  • ad·mi·ra·ti·o
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

admīrātĭo v

  1. de bewondering
    «dicentis»[1]
    voor den spreker
    «injicere cuivis admirationem sui»[2]
  2. (in meervoud)
    «admirationes»[1]
    betuigingen van bewondering
  3. de verwondering, verbazing
    «admirationem habere»[1]
    wekken
    zo ook «movere»[1]
    of «inferre»[3]
Verbuiging


Verwijzingen
  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 M. Tullius Cicero
  2. Cornelius Nepos
  3. Caj. Plinius Secundus major