achterste
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ach·ter·ste
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | achterste | achtersten |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
achterste
- o zitvlak, bips
- Hij viel wat ongelukkig op zijn achterste.
- wie of wat het laatst in een rij is
- De achtersten werden het ergste getroffen door de aanval van de achtervolgers.
Bijvoeglijk naamwoord
achterste
- verbogen vorm van de stellende trap van achterst