aanschouw
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·schouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | aanschouw | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
áánschouw m
- (verouderd) aanblik, gezicht
- «..met den eersten aanschouw..»
- ..op het eerste gezicht..
- «..met den eersten aanschouw..»
- in ~ nemen onder ogen nemen, in de beschouwing betrekken
- U kunt te allen tijde hoogwaardig en duurzaam schilderwerk verwachten, waarbij het milieu altijd in aanschouw wordt genomen.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| aanschouwen |
aanschóúw
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanschouwen
- Ik aanschóúw.
- gebiedende wijs van aanschouwen
- Aanschóúw!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanschouwen
- Aanschóúw je?