aanschouw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • aan·schouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanschouw -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

áánschouw m

  1. (verouderd) aanblik, gezicht
    «..met den eersten aanschouw..»
    ..op het eerste gezicht..
  2. in ~ nemen onder ogen nemen, in de beschouwing betrekken
    U kunt te allen tijde hoogwaardig en duurzaam schilderwerk verwachten, waarbij het milieu altijd in aanschouw wordt genomen.

Werkwoord

vervoeging van
aanschouwen

aanschóúw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanschouwen
    Ik aanschóúw.
  2. gebiedende wijs van aanschouwen
    Aanschóúw!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanschouwen
    Aanschóúw je?