zuigend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zui·gend

Werkwoord

vervoeging van
zuigen

zuigend

  1. onvoltooid deelwoord van zuigen
    • Het jongetje kwam eind mei in het nieuws met een video waarop hij zuigend aan een sigaret te zien was. Zes maanden nadat zijn vader het kind de eerste sigaret had gegeven, rookte hij er veertig per dag. Daar is een einde aan gekomen. [1] 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zuigend zuigender zuigendst
verbogen zuigende zuigendere zuigendste
partitief zuigends zuigenders -

Bijvoeglijk naamwoord

zuigend

  1. water of ander vloeistof aantrekkend
    • Rijkswaterstaat wijst ook opnieuw op het gevaar van boten die voorbij varen; die hebben een zuigende werking. ,,Zwemmers verliezen het van de sterke stroming en draaikolken die daardoor ontstaan. [2] 
    • Hoewel de term flesweigeraar impliceert dat een kind de fles niet wíl, is het in veel gevallen een kwestie van niet kúnnen, zegt Lenie van den Engel-Hoek van de Landelijke Werkgroep Logopedie voor 0-2 jaar en prelogopedist in het Radboudumc in Nijmegen. ,,Baby's leven de eerste weken op reflexen: de happende reflex om aan de borst te drinken en de zuigende reflex om uit een flesje te drinken. [3] 
  2. van een interviewer dat hij op een vasthoudende manier maar door blijft vragen
    • De een vindt het afschuwelijk, de ander geniet er juist met volle teugen van: de interviewtjes van NOS-reporter Bert Maalderink. Ikzelf behoor tot die laatste categorie. Door zijn zuigende en prikkelende vraagstelling zorgt hij vrijwel altijd voor spannende tv. [4] 


Gangbaarheid


Verwijzingen