Naar inhoud springen

zoveelste

Uit WikiWoordenboek

(klemtoonhomogram) ːonbepaald ranɡtelwoordː

ːbijvoeglijk naamwoord

  • zo·veel·ste

zovéélste

  1. in een reeks een onbekende plek
     Voor mij was het de zoveelste bevestiging dat we dat Quote-artikel nooit hadden moeten doen.[2]
    • Zijn vakantie duurt enkele weken: hij vertrekt met kerstmis en blijft weg tot de zoveelste januari. 
     Ten slotte zette hij het zoveelste negatieve bedrag onder aan de kolom en sloeg het boek dicht.[3]
  2. als noemer van een denkbeeldige breuk
    • Rovers willen niet dat hun bende al te groot wordt, want ieder krijgt maar een zoveelste deel van de buit. 

zóveelste

  1. één uit een lange reeks
    • Dit is de zoveelste keer dat het verkeerd gaat, leer je het dan nooit? 
    • Dit is alweer het zoveelste deel uit deze geliefde serie. 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. Bronlink geraadpleegd op 3 mei 2021 Weblink bron
    W. Haeseryn e.a.
    “7.3.1 Vorming van rangtelwoorden.” (januari 2019) op e-ans.ivdnt.org (Algemene Nederlandse Spraakkunst)
  2. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  3. Manik Sarkar
    “Ossenkop” (2024), Hollands Diep, ISBN 9789048862696
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be