ziekjes

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ziek·jes
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van ziek met het achtervoegsel -jes
stellend
onverbogen ziekjes
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

ziekjes

  1. in enige mate ziek
    • Hij was wat ziekjes. 

Bijwoord

ziekjes

  1. in enige mate ziek
    • Hij ging wat ziekjes aan het werk, maar knapte geleidelijk weer op. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.