ziegezagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zie·ge·za·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zeuren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1870 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ziegezagen
ziegezaagde
geziegezaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

ziegezagen

  1. inergatief lallen, tot vervelens toe lelijk zingen
    • Stemmengeraas uit schor-rauwe kelen raspte door 't herbergske en in een hoek ziegezaagde een metser, nog drie kwart tut van gisteren, een dom zeever-vooiske, dat z'in al de danszalen afgedraaid hadden, met de laatste kermis.[2] 

Gangbaarheid

Verwijzingen