zetelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·te·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zetel met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zetelen
zetelde
gezeteld
zwak -d volledig

Werkwoord

zetelen

  1. zitten
    • De koning zetelt in zijn troon. 
  2. als parlementslid werken
    • Hij zetelde tot 2012 in de Tweede Kamer. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.