zageman

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·ge·man
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zageman zagemannen
verkleinwoord zagemannetje zagemannetjes

Zelfstandig naamwoord

zageman m

  1. iemand die tot vervelens toe doorpraat
    • Wees toch geen zageman! 
  2. een figuur in de vorm van iemand met een zaag met een tegengewicht die op de rand van de tafel te balanceren gezet wordt, eertijds als aanduiding in een kroeg dat het tijd werd elders te gaan zagen
  3. een kinderspel waarbij kinderen een ketting vormen, het kind aan het einde met haar vrije arm tegen een muur leunt en de ketting onder haar arm door beweegt

Gangbaarheid

17 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.