winkeldiefstal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • win·kel·dief·stal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord winkeldiefstal winkeldiefstallen
verkleinwoord winkeldiefstalletje winkeldiefstalletjes

Zelfstandig naamwoord

winkeldiefstal m

  1. de daad van het stelen van goederen uit een winkel
    • Veel winkeldiefstallen worden gepleegd door het winkelpersoneel. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie