wait
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| wait | waits |
wait
- het (proces van) wachten
- wachttijd
- oponthoud, uitstel, vertraging
- hinderlaag
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to wait |
| he/she/it | waits |
| verleden tijd | waited |
| voltooid deelwoord |
waited |
| onvoltooid deelwoord |
waiting |
| gebiedende wijs | wait |
wait
- onovergankelijk wachten, in afwachting van iets of iemand op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven
- onovergankelijk, (horeca) de tafelbediening doen (in een restaurant e.d.)
- overgankelijk afwachten, wachten op
- onovergankelijk, (horeca) aan tafel bedienen
- overgankelijk, (informeel) uitstellen
- [3] await