wachten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wach·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘blijven’ voor het eerst aangetroffen in 1080 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: wachten, wochten
  • Verwant in Germaans:
Oudhoogduits: wahten, Fries: wachtsje (Oudfries: wachtia)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wachten
wachtte
gewacht
zwak -t volledig

Werkwoord

wachten

  1. inergatief op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
    • Daar is lang op gewacht. 
  2. wederkerend (verouderd) zich ~ voor oppassen voor iets, zich hoeden voor iets
    • Wacht u voor de hond! 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
  • wachten op
Uitdrukkingen en gezegden
  • Op zich doen wachten. Op zich laten wachten
Uitblijven. Lang niet gebeuren.
  • te wachten staan
wat je nog kan verwachten dat zal gaan gebeuren
  • Hij vroeg zich af wat hem nog meer te wachten stond.[2]
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

wachten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wacht

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 104