vliegeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vliegeren in 1955

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vlie·ge·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vliegeren
vliegerde
gevliegerd
zwak -d volledig

Werkwoord

vliegeren

  1. inergatief, (spel) het oplaten van een vlieger
    • We hebben op het strand een hele tijd gevliegerd. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie