vetleren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vet·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen vetleren
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

vetleren [1]

  1. gemaakt van met vet behandeld en daardoor waterdicht leer
     Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1986 zat ik hier voor het eerst. Ik doe dit precies 25 jaar, met een redelijk vaste bezetting. Nee, een vetleren medaille krijg je niet voor zo’n jubileum.’’[2]
     Waarmee ging u naar school? Met zo’n degelijke vetleren schooltas? Of met een ‘pukkel’?[3]
Vertalingen

Gangbaarheid

46 % van de Nederlanders;
20 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Loes Schutte “Zilveren jubileum met CDA in de min” (02-03-2011), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron “Oproep: wat voor schooltas had u vroeger?” (14 feb. 2020), De Telegraaf