versmaden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·sma·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
versmaden
versmaadde
versmaad
zwak -d volledig

Werkwoord

versmaden

  1. overgankelijk links laten liggen, afkeer hebben van, met minachting of verachting beschouwen
    • De treurende olifant versmaadde zelfs trossen bananen, haar lievelingskostje. 
  2. niet te ~: een goed idee, zeer de moeite waard, te mooi om te missen
    • Proef van onze kazen, ze zijn niet te versmaden. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.