smaden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sma·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
smaden
smaadde
gesmaad
zwak -d volledig

Werkwoord

smaden

  1. overgankelijk met hoon en spot overladen
    • Zij werden om hun geloof vaak gesmaad. 

Zelfstandig naamwoord

smaden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord smaad

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be