veiða

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

IJslands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid deelwoord
(supinum)
3e pers enk. 1e pers mv.
veiða veiddi veiddum veitt
volledig

Werkwoord

veiða

  1. jagen
  2. vissen


Oudnoords

Woordafbreking
  • vei·ða
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
veiða
veiðar
veiðaði
veiðat
Klasse 1 zwak volledig

Werkwoord

veiða

  1. jagen
  2. buitmaken