tuiser

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tui·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tuiser tuisers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tuiser m [1]

  1. iemand die een dobbelspel speelt
    • Een tuiser of tuischer, zoals men vroeger schreef, is een speler, een dobbelaar, iemand die "zich overgeeft aan het spel genaamd tuischen". De spel-betekenis, zo veronderstelde ik twee weken geleden, is vermoedelijk afgeleid van de oudere betekenis van tuisen: "wisselen, ruilen". [2] 
  2. tussenpersoon bij de handel in vee
    • Een lezer uit Lubbeek wijst mij op een betekenis van tuiser die ik niet kende: de tussenpersoon bij het verkopen van dieren zoals koeien en stieren. Zo is het woord (als "tossjer") althans in Bertem bekend. [3] 
  3. bedrieger
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 25 OKTOBER 2004 OM 00:00 UUR | Joop van der Horst Tuisen en klassieke muziek
  3. De Standaard 25 OKTOBER 2004 Joop van der Horst Tuisen en klassieke muziek