trukeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tru·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
trukeren
trukeerde
getrukeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

trukeren

  1. overgankelijk door middel van kunstgrepen naar zijn hand zetten
    • Die foto's zijn getrukeerd: Jan is helemaal nooit in Spanje geweest! 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

40 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.